TEELTHANDLEIDING Agria, Nederland

ALGEMEEN

Kruising: Quarta x Semlo

Kweker: Kartoffelzucht Bohm, Luneberg

Agria is een vrij laat ras (5) met een midden late knolzetting. De knollen zijn langovaal tot rondovaal, vlakogig, geelschillig en geelvlezig. Het ras heeft een vrij lange kiemrust en het knolaantal per plant is vrij laag. Leemgronden zijn de meest geschikte gronden voor de teelt van Agria.

De loofontwikkeling is trager dan van Bintje, het loof is stevig, goeddekkend en witbloeiend.


RESISTENTIES
 

AM Wratziekte Phyt.loof Phyt.knol Blauw Schurft
RO 1 Vatbaar 5,5 8,0 9 4

Agria is vrij vatbaar voor rooibeschadiging. Het ras is weinig gevoelig voor doorwas.


PLANTAFSTANDEN / VOORBEHANDELING POOTGOED

Agria kiemt vrij traag, voorkiemen kan een vervroeging van het gewas geven. Het geven van een warmtestoot is echter aan te raden. Bij het poten moeten de ogen goed los zijn. Bij een eventuele Rhizoctonia aantasting is een behandeling hiertegen altijd zinvol.
 
Pootgoedmaat 28/35 35/50 50/60 (gesneden)
Plantafstand 16-20cm 26-30cm 24-26cm

Agria mag iets dieper worden geplant dan Bintje. Goed aanaarden is zeker zo belangrijk. Een goede brede rugopbouw is nodig om groen te voorkomen.


BEMESTING
 
Stikstof : Agria heeft duidelijk een lagere stikstof behoefte dan Bintje, namelijk ± 30 % lager. Een teveel aan stikstof kan met name de opbrengst en kwaliteit (lees O.W.G.) negatief beïnvloeden Een stikstof deling is aan te bevelen, 2/3 als basisbemesting en 1/3 als overbemesting na de knolzetting.
Wanneer men voor het eerst Agria teelt is het aan te raden om niet meer dan 200 kg N/ha incl. bodemvoorraad te geven.
Een teveel aan organische mest staat een goede afrijping in de weg.
Fosfaat: Volgens advies bodemonderzoek.
Kali: Volgens advies bodemonderzoek. Voldoende verse Kali maakt dat Agria minder gevoelig is voor rooischade. Toepassen van chloorhoudende Kali kort voor of na het poten wordt afgeraden i.v.m. het o.w.g. verlagende effect van chloor.

 

 


GEWASBESCHERMING

Onkruidbestrijding met Sencor heeft geen nadelige gevolgen.

Phythophthora bestrijding
Hoewel Agria een redelijke resistentie heeft tegen Phytophthora in de knol en een matige resistentie in het loof is een regelmatige bespuiting noodzakelijk. Geadviseerd wordt een zelfde spuitschema aan te houden als bij het ras Bintje, met eventueel een verlaagde dosering. Vooral vanaf half augustus, daar Agria een weelderige loofmassa heeft, moet het spuitinterval beslist niet te ruim worden (afhankelijk van de weersomstandigheden).

Luizenbestrijding
Een behoorlijke besmetting kan tot een opbrengstderving leiden. Het is daarom raadzaam uw gewas regelmatig te controleren en aan de hand hiervan een luizenbestrijding uit te voeren.

Alternaria
Agria is gevoelig voor Alternaria.

Loofdoding
Een afrijpend gewas is noodzakelijk i.v.m. het O.W.G. en de gevoeligheid voor rooibeschadiging. Laat dus na loofvernietiging het gewas voldoende afharden, in het algemeen betekent dit dat er drie weken gewacht moet worden. Dit is echter wel afhankelijk van de rijpheid van het gewas.


INSCHUREN EN BEWARING

Tijdens het rooien de schudders zo weinig mogelijk gebruiken en de valhoogtes tot een minimum bepreken. Dit geldt ook voor het inschuren.

Indien u gebruik maakt van een kiemremmingsmiddel tijdens het inschuren dan dienen de knollen velvast te zijn. De afhardingsperiode na doodspuiten dient dan 3 weken te zijn ter voorkoming van poederbrand.
Wanneer er geen kiemremmer tijdens het inschuren wordt toegediend, wordt geadviseerd de aardappelen zo snel mogelijk te drogen, zodat er gegast kan worden.

Drogen:
Zodanig ventileren dat de partij snel droog is en droog blijft. Probeer de partij daarom tijdens het drogen op een redelijke temperatuur (14 - 18° C) te houden, desnoods met een kachel. Hiermee wordt voorkomen dat, door een te gering temperatuurverschil tussen buitenlucht en product, de vochtopnemende capaciteit van de ventilatielucht verdwijnt. Een ander voordeel van het aanhouden van een wat hogere producttemperatuur tijdens het drogen is, dat het wondhelingsproces bij deze temperatuur door kan gaan.

Wanneer Agria in een redelijk afgerijpt stadium geoogst wordt, kan bij een bewaartemperatuur van 6,0°C een goede verwerkingskwaliteit worden gehandhaafd. Langdurige bewaring bij 6,0°C kan echter alleen worden gerealiseerd met ondersteunende mechanische koeling.

Omdat men nooit zeker is hoe het fysiologische stadium van de knollen is gesteld op het oogsttijdstip is het veiliger een glijdend bewaarregime van 14 -> 6,5 -> 14°C na te streven.
Een glijdend temperatuurregime kenmerkt zich door na de wondheelperiode, bij 14°C, geleidelijk af te koelen met ongeveer 1°C per week naar een niveau van 6,0°C.

De bewaartemperatuur wordt in de winterperiode zo constant mogelijk gehandhaafd. Om CO2-ophoping te voorkomen wordt geadviseerd iedere dag lucht te verversen. Dit kan bijvoorbeeld door 10 minuten per dag extern te ventileren rekening houdend met de buitentemperatuur.

In het voorjaar wordt weer begonnen met een geleidelijke temperatuurstijging met ca. 1°C per week naar maximaal 14°C.
Met deze bewaarfilosofie kunnen grote temperatuurschommelingen worden voorkomen, terwijl ook de ophoping van reducerende suikers wordt beperkt. De geleidelijke temperatuurstijging in het voorjaar kan worden beschouwd als een zeer geleidelijke vorm van reconditioneren waarmee de nog aanwezige koudeverzoeting van de winterperiode grotendeels kan worden weggewerkt.