TEELTHANDLEIDING Bintje, Nederland

ALGEMEEN

Kruising: Munsteren x Fransen

Bintje is een middenlaat ras (rijptijd 6,5) met een middenvroege knolzetting. De knollen zijn ovaal tot langovaal, geelschillig, vlakogig en lichtgeelvlezig.
 

 


RESISTENTIES
 

AM Wratziekte Phyt.loof Phyt.knol Blauw Rooibesch. Schurft
vatbaar vatbaar 3 4,5 7,5 7 4


PLANTAFSTANDEN / VOORBEHANDELING POOTGOED

Bintje heeft een vrij lange kiemrust. De voorkeur gaat uit naar het poten van de knollen in het witte puntjes stadium.
 
Pootgoedmaat 28/35 35/45
Plantafstand 30-32 cm 34-36 cm

Bintje heeft de raseigenschap om goed midden in de rug te groeien. Geadviseerd wordt om een plantdiepte gelijk met het maaiveld aan te houden. Een goede hoge rugopbouw heeft bij Bintje een positief effect op het verminderen van het aantal groene knollen.
 

 


BEMESTING
 

Stikstof : De stikstofbehoefte van Bintje is vrij hoog (275 – 325 kg N). Er wordt geadviseerd de N-bemesting in twee keer toe te dienen, 2/3 bij poten/frezen en 1/3 als overbemesting.
- Vanwege de vrij vroege afrijping wordt een grote hoeveelheid organische mest afgeraden (kans op doorwas / glaskoppen)
- Bovenstaande N-advisering is ook van toepassing voor de zandgronden met dien verstande dat maximaal de helft van de benodigde stikstof toegerekend mag worden vanuit organische mest.
Fosfaat: Volgens advies bodemonderzoek.
Kali: Volgens advies bodemonderzoek. Geadviseerd wordt om voorzichtig om te gaan met het toedienen van chloorhoudende kali in het voorjaar. Voldoende verse kali maakt dat de Bintje minder gevoelig is voor rooischade.
Mag-
nesium/
Mangaan:
Bintje lijkt magnesium en mangaan behoeftig. In de bladontwikkelingsfase is het aan te bevelen om mangaan en magnesium toe te dienen.

 

 


GEWASBESCHERMING

Onkruidbestrijding
Bintje is vrij ongevoelig voor metribuzin (Sencor). Voor opkomst zijn geen nadelige gevolgen waargenomen. Lage dosering heeft goede resultaten weergegeven bij een dosering van 100 gram, mits toegediend onder gunstige omstandigheden.

Phythophthora bestrijding
Bintje is zeer gevoelig voor Phytophthora in zowel het loof als in de knol. Hierdoor is een regelmatige bespuiting noodzakelijk. Geadviseerd wordt een intensief spuitschema aan te houden.
 


INSCHUREN EN BEWARING

Tijdens het rooien de schudders zo weinig mogelijk gebruiken en de valhoogtes tot een minimum bepreken. Dit geldt ook voor het inschuren.

Indien u gebruik maakt van een kiemremmingsmiddel tijdens het inschuren dan dienen de knollen velvast te zijn. De afhardingsperiode na doodspuiten dient dan in de regel 2 à 3 weken te zijn ter voorkoming van poederbrand.
Wanneer er geen kiemremmer tijdens het inschuren wordt toegediend, wordt geadviseerd de aardappelen zo snel mogelijk te drogen, zodat er gegast kan worden.

Een glijdend bewaarregime van 14 -> 7,0 -> 14°C geeft het beste bewaarresultaat. Een glijdend temperatuurregime kenmerkt zich door na de wondheelperiode, bij 14°C, geleidelijk af te koelen met ongeveer 1°C per week naar een niveau van 7,0°C.

De bewaartemperatuur wordt in de winterperiode zo constant mogelijk gehandhaafd. Om CO2-ophoping te voorkomen wordt geadviseerd iedere dag lucht te verversen. Dit kan bijvoorbeeld door 10 minuten per dag extern te ventileren rekening houdend met de buitentemperatuur.

In het voorjaar wordt weer begonnen met een geleidelijke temperatuurstijging met ca. 1°C per week naar maximaal 14°C.
Met deze bewaarfilosofie kunnen grote temperatuurschommelingen worden voorkomen, terwijl ook de ophoping van reducerende suikers wordt beperkt. De geleidelijke temperatuurstijging in het voorjaar kan worden beschouwd als een zeer geleidelijke vorm van reconditioneren waarmee de nog aanwezige koudeverzoeting van de winterperiode grotendeels kan worden weggewerkt.