Variabel kunstmest strooien

Gedurende het groeiseizoen wordt op verschillende momenten kunstmest gestrooid.  Als eerste wordt de drijfmest aangevuld met de elementen N en K. Tijdens  het teeltseizoen worden gewasmetingen uitgevoerd en deze worden vervolgens gerangschikt. Aan de hand van deze rangschikking wordt het bijbemest moment bepaald.
Als het moment van bijbemesting bekend is wordt de bijbehorende opbrengstpotentiekaart als basis gebruikt.
Tijdens de bemesting wordt het gewas gescand met een sensor die de stikstof en vegetatie indexen meet.De plaatsen waar de aardappelplanten een hoge opbrengstpotentie hebben, geven we extra kunstmest. De plaatsen waar een lage opbrengstpotentie is geven we minder kunstmest.


Afbeelding 1: Variabel kunstmest strooien

Op bovenstaande afbeelding 1 zie je een opbrengstpotentiekaart en de kunstmeststrooier met gewassensor. De lichtbruine plek geeft een hoge opbrengstpotentie weer en de donkerbruine plek geeft een lage opbrengstpotentie weer. De sensor voorop de tractor meet het gewas, kijkt naar de opbrengstpotentiekaart en berekend de juiste gift die vervolgens wordt toegepast op de kunstmeststrooier achterop de tractor. Op deze manier worden de percelen dus niet homogeen bemest, maar juist extra bemest op plaatsen waar de opbrengstpotentie hoog is.