Teeltbeschrijving aardappelen

De aardappel heeft met de groeiende wereldbevolking de potentie om nummer één te worden als het gaat om basisvoedsel. Naast een hogere voedingswaarde per 100 gram heeft de aardappel ook een lagere milieudruk. Voor het produceren van 1 kilogram aardappelen is 200 liter water nodig, terwijl voor 1 kilo rijst dit 1.111 liter bedraagt. Boeren moeten daarnaast de wereldbevolking blijven voeden terwijl de hoeveelheid beschikbare grond ieder jaar minder wordt. Hoe van den Borne zijn aardappels teelt om tot een volwaardig eindproduct te komen leest u hieronder.

Vooraf het teeltseizoen worden alle percelen in kaart gebracht en bodemdata verzameld. Op elke perceel wordt een bodemscan uitgevoerd. Een bodemscan dient als basis voor een teeltseizoen waarmee verschillende teeltmaatregelen variabel uitgevoerd kunnen worden. Met de bodemscan wordt de bodemgeleidbaarheid, EC gemeten. Bij een hogere EC waarde is dit een indicatie voor een zwaardere grondzone binnen het perceel. Het lutum/klei gehalte zal hier dus ook hoger zijn. Met de bodemscan worden de verschillende zones binnen een perceel in kaart gebracht, waarna met variabele toepassingen vanuit elke zone een maximaal rendement gehaald kan worden.

Bemesten (maart-april)

Het teeltseizoen begint in het voorjaar wanneer de percelen bemest kunnen worden. Het bemesten van percelen vindt plaats vanaf 16 februari, de datum waarna het is toegestaan om drijfmest over percelen uit te rijden. Drijfmest is een samenvoeging van vaste mest en vloeibare mest, de urine vanuit dierlijke oorsprong. Op de veehouderijbedrijven wordt de urine en vaste mest samengevoegd in speciale putten/kelders. Voor het uitrijden van de mest wordt deze in de kelders gemixt de urine en vaste mest zoveel mogelijk samen te voegen. Drijfmest bevat verschillende voedingsstoffen zoals stikstof, fosfaat en kali. Naast voedingsstoffen voor de plant bevat drijfmest ook organische stof. Organische stof heeft verschillende doeleinden in de bodem zoals het verbeteren van de structuur en het stimuleren van het bodemleven. Om de voedingstoffen voor de plant niet verloren te laten gaan wordt drijfmest in de grond geïnjecteerd. Met het injecteren worden de voedingstoffen direct ingewerkt in de bodem. 

Grondbewerking (april)

Voordat de aardappels gepoot kunnen worden, wordt er een grondbewerking uitgevoerd om het land klaar te maken voor de aardappels. De grondbewerking kan op meerdere manieren gebeuren, waarbij Van den Borne 3 verschillende manieren gebruikt: frezen, ploegen en spitten. Frezen is echter geen hoofdgrondbewerking, na het frezen zal er nog geploegd of gespit worden. Percelen welke voorgaand(e) teeltseizoen(en) hebben gediend als grasland of voor de teelt van een groenbemester worden eerst geklepeld en gefreesd. Het klepelen en frezen van de percelen gebeurt in één werkgang waarbij het gras of groenbemester eerst kort gemaaid wordt met de klepelmaaier waarna de graszode of groenbemester door middel van de frees fijn gemaakt wordt. Wat overblijft na de bewerking zijn kleine stukjes plantaardig materiaal. Om tijdens het teeltseizoen geen problemen te krijgen met de fijne stukjes plantaardig materiaal worden deze percelen daarna geploegd. Met het ploegen van de graspercelen worden de kleine stukjes graszoden op 25 cm diep in de bouwvoor begraven. Tijdens het ploegen wordt er ook gebruikt gemaakt van een vorenpakker. Met het gebruik van de vorenpakker wordt de geploegde grond direct aangedrukt zodat verstuiving minder mogelijk is, het vocht in de grond behouden wordt en er een mooi zaaibed ontstaat.

Spitten gebeurt bij percelen waarbij voorgaand teeltseizoen een gewas, zoals aardappelen, mais of tarwe heeft gestaan. De spitmachine maakt de grond los waarna de grond met gewasresten worden gemengd. Een verkruimelrol achter de spitmachine zorgt ervoor dat de grond weer wordt aangedrukt om verstuiving tegen te gaan en het vocht behouden blijft. Bij elke grondbewerking moet er rekening gehouden worden met de diepte van de teeltbare zone. De teeltbare zone kan verschillen per perceel en zelfs binnen een perceel verschillen. Onder de teeltbare zone bevindt zich grond welke minder voedingsstoffen en organische stof bevat. Wanneer een grondbewerking te diep wordt uitgevoerd wordt de vruchtbare teeltbare laag gemengd met grond welke minder vruchtbaar is, wat zorgt voor een minder vruchtbare teelt laag.
 

Poten (april- mei)

Wanneer de grondbewerking is verricht en de grond gereed gemaakt is kunnen de aardappelen worden geplant. De afstand waarop de aardappels van elkaar gepoot worden hangt van een aantal verschillende factoren af:

  • De bodem, aan de hand van de bodemscan kan een bepaalde pootafstand gehanteerd worden.
  • Het einddoel van de aardappel, aardappels bedoeld voor de frietindustrie worden op een andere afstand gepoot dan aardappels bedoeld voor de consumptie.
  • Schaduwzones, hier beschikken de planten over minder licht wat voor een groeiregulatie zal zorgen.

Van den Borne aardappelen teelt verschillende rassen om zo het risico te kunnen spreiden en een spreiding te maken in het moment van rooien. De rassen die worden geteeld bij Van den Borne zijn:

Met het hanteren van een all-in-one pootsysteem worden de pootaardappelen gepoot waarna ook de complete rug opbouw plaatsvindt. Achter de pootmachine hangt een aanaardkap ,waarmee de rug waar de aardappelplant in komt te groeien, gevormd wordt. Uiteindelijk wordt de pootaardappel op maaiveld diepte gepoot, waarna er met de aanaardkap 16 cm grond bovenop gevormd wordt.

Gewasbescherming (mei-september)

Nadat de aardappelen zijn gepoot is het belangrijk om het gewas ziekte vrij te houden en de onkruiden te onderdrukken. De meest voorkomende aardappelziekte is de schimmel Phytophthora infestans. Nadat de aardappelen zijn gepoot, worden deze ziektevrij gehouden. Een eerste bespuiting tegen Phytophthora vindt plaats als de aardappelen 15 cm boven de grond staan. Om de aardappelplanten te beschermen tegen de schimmelziekte wordt de bespuiting uitgevoerd met behulp van weerstations welke het optimale spuitmoment bepalen. Bij het optimale spuitmoment wordt de ziektedruk van de schimmel meegenomen. De ziektedruk van Phytophthora is hoog wanneer het vochtig en warm weer is. Naast Phytophthora worden de planten ook beschermd tegen andere ziekten en plagen: Bij het spuiten tegen ziekten is het mogelijk om onderscheid te maken in de verschillende bestrijdingsmethode. Om de planten goed te beschermen in periode waarin Phytophthora toe zou kunnen slaan is het mogelijk om preventief te spuiten zodat de aardappelplanten beschermt zijn in een hoge ziektedruk periode. Als de schimmel de plant al geinfecteerd heeft is het belangrijk om de schimmel direct te doden met behulp van een curatief gewasbeschermingsmiddel.

Beregenen (mei-september)

In de zomermaanden kan het voorkomen dat de aardappelpercelen beregend moeten worden. Gezien de zandgrond snel zijn vocht verliest kan zonder beregening groei belemmering optreden door vochtgebrek. De groei belemmering zal uiteindelijk leiden tot een opbrengstderving waardoor het teeltrendement verlaagt. Om het optimale moment van beregening te beslissen worden er bodemvochtsensoren in de aardappelrug geplaatst. Deze sensoren meten de hoeveelheid beschikbaar vocht in de bodem op verschillende diepten. De bodemvochtsensoren zijn gekoppeld aan het adviesprogramma Dacom waarin de hoeveelheid beschikbaar bodemvocht in grafieken is af te lezen. Op het moment dat de vochtsensoren een te lage waarde aangeven wordt er automatisch een beregenings advies vanuit Dacom uitgegeven. Het benodigde water voor het beregenen van de aardappelen wordt opgepompt vanuit grondwaterputten. Gemiddeld wordt er per beregening een gift van 25mm gegeven.

Oogsten (september- oktober)

Voordat de aardappels gerooid kunnen worden moet het loof eerst afsterven. Om dit proces te versnellen wordt het loof enkele weken voor het rooien doodgespoten. Het aardappel loof moet om verschillende redenen afgestorven zijn:
  • Stoppen van het groeiproces waardoor de kwaliteit behouden blijft
  • Afharden van de aardappelschil zodat er weinig beschadiging optreedt tijdens het rooien
  • Creëren van een hoger saldo vanwege de maatsortering, vooral in de pootaardappelteelt
  • Voorkomen van een phytophthora uitbraak
Wanneer het loof afgestorven is kunnen de aardappelen gerooid worden, rond 20 augustus wordt er gestart met het rooien van de vroege aardappelen en de pootaardappelen waarna er rond 20 september gestart wordt met het rooien van de consumptieaardappelen. Door gebruik te maken van verschillende rassen kan de oogstperiode plaatsvinden over een langere periode. Bij het kiezen van de rassen is er gekozen voor vroege en late rassen zodat ieder perceel op het juiste moment gerooid wordt.

 

Bewaren  (september- april)

Wanneer de aardappelen op het bedrijf aankomen worden ze gelost in een stortbak, deze stortbak reinigt zand en ondermaatse aardappelen. Hierna worden de aardappelen naar de schuur getransporteerd via transportbanden en een hallenvuller. De verschillende rassen worden ook in aparte bewaarschuren opgeslagen. De bewaring betekent: De geoogste kwaliteit zo lang mogelijk handhaven en de verliezen tot een minimum te beperken. De aardappel is een levend organisme dat ook tijdens de bewaring verder ademt. Lage temperaturen kunnen die ademhaling vertragen en de aardappel rustig houden. De temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en CO2 concentratie in de bewaarplaatsen kunnen gestuurd worden met het oog op minimale gewichts- en kwaliteitsverliezen. Zodra de aardappelen zijn opgeslagen moet het meest optimale klimaat voor de aardappelen worden nagestreefd, om de aardappelen gedurende een paar maanden te bewaren zonder kwaliteitsverlies. Het bewaarproces bestaat uit verschillende fases:

Fase 1: Drogen intern
De eerste fase is het drogen en een homogene temperatuur voor de gehele partij aardappelen verkrijgen. Dit proces duurt bij ons ongeveer één week.

Fase 2: Wondhelen
De tweede fase is het wondhelen van de aardappelen. Zo worden de wonden van de aardappelen geheeld waardoor ze minder kans hebben op infecties/bewaarziektes. Dit proces duurt ongeveer 11 dagen.

Fase 3: Drogen en Koelen
De derde fase is het terug koelen en verder drogen (drogen tot zover nodig is) van de partij aardappelen zodat de aardappelen niet gaan kiemen. Indien de aardappelen terug gekoeld zijn tot 6 a 8 graden is het zaak om de aardappelen op deze temperatuur te houden. Dit proces duurt totdat de aardappelen opgewarmd worden om uitgeschuurd te kunnen worden.

Fase 4: Opwarmen
Het opwarmen van de partij aardappelen gebeurt ongeveer vijf dagen voordat ze uit de bewaarschuur gehaald worden om afgeleverd te worden bij de afnemers. Opwarmen van de aardappelen is nodig omdat aardappelen bij lage temperatuurgevoeliger zijn voor beschadigingen.

 

Bewaring van den Borne:
In onze bewaring maken wij gebruik van het volledige roostervloer principe. Dit houdt in dat de gehele vloer onderkoelder is. De vloer zelf bestaat uit betonnen ventilatieroosters. De diepte van de onder keldering bedraagt ongeveer 60 tot 120 cm. De bodem van de onder keldering is bij dit systeem meestal hellend en de afstand tussen de sleuven zijn allemaal gelijk. De ventilatoren zijn horizontaal geïnstalleerd, dit systeem heet het drukkamer- systeem. De lucht wordt in de drukkamer geblazen en stroomt van hieruit in de kanalen. Hierbij is het belangrijk dat alle kanalen afsluitbaar zijn.
Bovendien moeten aan de onderzijde van de ventilatoren kleppen worden aangebracht om indien nodig ventilatoren in of uit te schakelen. Het voordeel van dit systeem is dat de hoeveelheid lucht gevarieerd kan worden. Dit gehele systeem is afkomstig van Tolsma-Grisnich. Voor een goede bewaring van aardappelen is een capaciteit van 100 m3 lucht per uur per m3 aardappelen voorgeschreven. Als tegendruk wordt meestal 150 Pascal gehanteerd.

Klimaatcomputers in de bewaarschuur

Op ons bedrijf maken we gebruik van de klimaatcomputers van Tolsma-Grisnich storage technology. Met deze klimaatcomputers worden alle gemeten waarden zoals producttemperatuur, buitentemperatuur, relatieve luchtvochtigheid etc. vergleken met ingestelde streefwaarden en randvoorwaarden. Op grond hiervan worden elektronische signalen gegenereerd die de aangesloten apparatuur aan- of uit schakelen ongeacht het uur van de dag. Het is zelfs mogelijk verschillende programma’s te definiëren voor de verschillende fasen van de bewaring (drogen, wondhelen, koelen, op temperatuur houden, opwarmen voor aflevering).

Ventileren kan ook om andere redenen dan temperatuurregeling nodig zijn. Bijvoorbeeld om aardappelen te drogen of om lokale rottingshaarden aan te pakken. Dergelijke aspecten signaleert een automatisch systeem niet. Dus ook bij hypermoderne automatische klimaatregeling hangt het succes van de bewaring in hoge mate af van de waakzaamheid en de deskundigheid van de aardappelteler.

In onze laats gebouwde bewaarloods zit het intelligente bewaarsysteem Weer in Control van producent Tolsma-Grisnich. Weer in Control is een optimaliseringsprogramma dat beslissingen neemt voor de ventilatie en koeling op grond van weersvoorspellingen op lange termijn. Met dit programma kan de regeltemperatuur van het product beter worden gecontroleerd waardoor minder gewichtsverlies en een lager energieverbruik wordt bereikt. Deze winst wordt behaald omdat de momenten waarop koude buitenlucht beschikbaar is beter wordt benut. Weer in Control past de instellingen van de klimaatcomputer volautomatisch aan waarbij de buitenluchtventilatie wordt vervroegd of verschoven.

Uitschuren:

Vanaf oktober wordt er ook gestart met het leveren van de aardappelen aan de fabriek. De aardappelen worden met wiellader uit de bewaarschuren opgeschept en in de stortbak gekiept. De stortbak reinigt de aardappelen en transporteert ze via transportbanden naar de sorteermachines. De sorteermachines sorteert de aardappels in vier verschillende maten. Eén maat is enkel maar gezicht om af te leveren aan de fabriek. De geschikte maatsortering wordt gewassen en gedroogd, waardoor reststromen niet mee worden vervoerd en emissie beperkt wordt. Na het wassen en drogen worden de aardappelen automatisch op de vrachtwagen trailers geladen en kunnen de aardappelen verwerkt worden tot friet.