Stap 6: Variabel planten

Het pootgoed van de aardappelen is kostbaar, waardoor de telers de maximale opbrengst willen halen. Er zijn drie manieren waarop er variabel gepoot wordt in een perceel. 

Spuitpaden
Voor het uitvoeren van gewasverzorging maken wij gebruik van rijpaden. De 1ste en 4e rij van de werkgang wordt weggelaten bij het poten, zodat er een spuitpad ontstaat. Deze spuitpaden omvatten ongeveer 5,5% van het totale teeltoppervlakte van Van den Borne.
De aardappelplanten naast het spuitpad krijgen meer licht, nutrienten en water waardoor deze planten  dus een hogere opbrengstpotentie hebben. Wanneer spuitpaden worden aangelegd, schakelt de plantmachine de eerste en vierde rij uit. Zo ontstaan twee rijen die niet geplant zijn, deze niet geplante rijen vormen de spuitpaden. Daarnaast worden de aardappels in de twee binnenste rijen 10 % dichter op elkaar geplant. 











Schaduwplekken door bomen
Op de schaduwplekken is er minder licht, waardoor de opbrengst per plant lager is. Door minder aardappels te planten in deze zone  is er meer licht, water en mineralen per plant beschikbaar. Dit leidt tot hogere opbrengst per plant en lagere kosten voor het pootgoed, waardoor een hogere financiële opbrengst wordt behaald.
Het variabel poten wordt als volgt toegepast:

  • - Zone 100% licht: normale plantafstand
  • - Zone 75%  licht: plantafstand 10% verruimd
  • - Zone 50% licht: plantafstand 20% verruimd
  • - Zone 25% licht: plantafstand 30% verruimd

Hieronder ziet u op afbeelding 1 een schaduwkaart van een van onze percelen. Daarnaast in afbeelding 2 is de pootafstand kaart weergegeven.



Bodemzones
Voorafgaand aan het seizoen worden deze bodemzones in kaart gebracht d.m.v. een bodemscan. Deze bodemscans geeft verschillende zones in een perceel met lage en hoge geleidbaarheid weer. Zones met een hogere geleidbaarheid hebben bij de gemiddelde groeiomstandigheden een hogere opbrengspotentie. Op plaatsen waar een hogere geleidbaarheid is wordt er dichter geplant omdat op deze plaatsen meer bodemvocht is. Door op deze plaatsen de plantafstand aan te passen aan de opbrengstpotentie kan er met een optimale hoeveelheid pootgoed een zo hoog mogelijke opbrengst gerealiseerd worden.